Welke Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) vinden Nederlanders belangrijk?
Welke Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) vinden Nederlanders belangrijk?
In opdracht van de Nederlandse overheid onderzocht Populytics wat inwoners belangrijk vinden bij de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s). Twee derde van de Nederlanders vindt het (heel) belangrijk dat de overheid zich inzet voor de doelen. Doelen die gaan over primaire levensbehoeften krijgen de meeste prioriteit, met goede gezondheidszorg bovenaan.
Aanleiding
Om in 2030 een betere wereld te bouwen, zijn de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (oftewel Sustainable Development Goals, SDG’s) ontwikkeld. In 2015 hebben alle 193 landen die lid zijn van de Verenigde Naties (VN) de Duurzame Ontwikkelingsdoelen aangenomen, met als doel ze in 2030 te halen. Ook Nederland heeft dit gedaan. Nederlandse overheden, bedrijven en goede doelen werken samen om in het binnenland en in het buitenland deze doelen te bereiken. Maar als Nederland op de huidige manier doorgaat, worden in 2030 niet alle Duurzame Ontwikkelingsdoelen bereikt.
Nederland presenteert iedere vijf jaar een voortgangsrapportage (VNR) aan de VN om te laten zien hoe we op weg zijn om de Duurzame Ontwikkelingsdoelen te halen. Dit rapport wordt opgesteld op basis van input uit de samenleving en de Rijksoverheid. De VNR wordt vervolgens gepresenteerd bij de VN in New York. Nederland is in 2027 aan de beurt.
Populytics heeft in opdracht van de Nederlandse overheid een raadpleging uitgevoerd over wat inwoners van Nederland belangrijk vinden bij de Sustainable Development Goals.
De Nederlandse overheid gebruikt de resultaten van deze raadpleging bij het schrijven van de VNR in 2027. De overheid gebruikt de uitkomsten ook voor gesprekken over een mogelijk vervolg op de SDG-agenda, die in 2030 afloopt.
Opzet van de raadpleging
Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de methode Best-Worst-Scaling (BWS). De BWS-methode is een wetenschappelijk onderbouwde onderzoeksmethode waarmee deelnemers prioriteiten aangeven door steeds het belangrijkste en minst belangrijke doel te kiezen uit een reeks opties. Hierdoor worden de voorkeuren van deelnemers en de onderlinge prioritering van de doelen in kaart gebracht. Iedere deelnemer kreeg 12 BWS-keuzetaken met 6 doelen. Daaruit moesten ze twee doelen kiezen: het doel waar de overheid volgens hen het meest aan moet doen en het doel waar de overheid volgens hen het minst aan moet doen. Ze konden hun antwoorden vervolgens motiveren.
In totaal hebben 1.279 mensen meegedaan. Die groep deelnemers is representatief voor de Nederlandse bevolking op de kenmerken gender, leeftijd en opleidingstype. Deze poster laat de belangrijkste uitkomsten zien van deze raadpleging.
Resultaten
We zetten de belangrijkste resultaten uit het rapport op een rijtje:
- Een meerderheid van de Nederlanders vindt inzet van de overheid belangrijk. Twee derde van de deelnemers vindt het heel belangrijk dat de Nederlandse overheid zich inzet voor het halen van de doelen binnen Nederland. Ongeveer 60 procent vindt het heel belangrijk dat de overheid zich ook inzet voor het halen van de doelen in andere landen.
- Goede gezondheidszorg wordt het vaakst gekozen als meest belangrijke doel. In bijna de helft van de gevallen kiezen Nederlanders dit doel als meest belangrijk. Volgens deze deelnemers is de gezondheidszorg nu niet goed geregeld in Nederland, terwijl het wel een primaire levensbehoefte is.
- Ook andere basisbehoeften krijgen prioriteit. Ook andere doelen die volgens deelnemers een primaire levensbehoefte zijn, worden vaker gekozen als meest belangrijk: armoede voorkomen, genoeg goede en betaalbare woningen, veilig en prettig kunnen leven, genoeg schoon water, vrede en veiligheid en genoeg goed eten
- Andere doelen krijgen minder prioriteit. De doelen die het vaakst gekozen worden als minst belangrijk, zijn samenwerking en nieuwe producten en diensten ontwikkelen. In ongeveer een derde van de gevallen worden deze doelen gekozen als minst belangrijk. Deelnemers vinden dat deze doelen al goed geregeld zijn in Nederland, of dat ze geen taak zijn voor de overheid.
- Deze prioriteiten zijn breed gedeeld. Deze prioritering is vergelijkbaar voor verschillende groepen deelnemers, ongeacht gender, leeftijd en opleidingstype, en ongeacht hoe belangrijk zij de inzet van de overheid voor de doelen vinden.
- Over sommige doelen is minder consensus. Voor bijna alle doelen die vaak worden gekozen als meest belangrijk, geldt dat ze tegelijkertijd minder worden gekozen als minst belangrijk. En vice versa. Maar voor een aantal doelen geldt deze relatie niet. Dit zijn doelen waar minder consensus over is. Dit is het meest duidelijk bij het doel klimaatverandering tegengaan, dat in een kwart van de gevallen gekozen wordt als minst belangrijk, en in een vijfde van de gevallen als meest belangrijk.
- Voor na 2030 is er geen duidelijke voorkeur. Wat moet de overheid doen als in 2030 niet alle doelen zijn gehaald? De voorkeuren zijn ongeveer gelijk verdeeld over de vier voorgestelde aanpakken en ‘zeg ik liever niet/weet ik niet’. Een derde van de deelnemers kiest voor het voortzetten van de doelen (ambitieuzere doelen of een nieuwe deadline), bijna de helft voor het loslaten ervan (focus op thema’s of niet meer samenwerken). Wel kiest bijna twee derde voor een aanpak waarin internationale samenwerking doorgaat.
Meer weten?
Lees het uitgebreide rapport hier. Of neem contact op met één van de onderzoekers: Jetske Mulder, Rosa Vroom of Niek Mouter.
🔗 Lees hier het rapport met de resultaten van het inwonersonderzoek naar keuzes rondom Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s).
🔗 Bekijk in de video hieronder een samenvatting van het onderzoek over Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s).
Wil je meer weten?
Case
Inwoners denken mee over keuzes rondom topsport
Inwoners denken mee over keuzes rondom topsport
Via een burgerraadpleging is onderzocht hoe Nederlanders aankijken tegen de besteding van overheidsgeld aan topsport. Ruim 2.800 inwoners en professionals beoordeelden de effecten van topsportbeleid en gaven advies over de verdeling van het budget over vijftien beleidsopties.
Aanleiding
Veel Nederlandse topsporters doen het heel goed in de sport. Maar sporten op hoog niveau kost geld. Bijvoorbeeld voor topcoaches en voor goede sportlocaties. De overheid betaalt hieraan mee, van het belastinggeld dat we als samenleving betalen. De overheid moet samen met de sport kiezen waar het geld voor topsport precies naartoe moet.
Opzet van de raadpleging
Via een burgerraadpleging onderzoeken we in dit onderzoek twee vragen:
- Hoe waarderen inwoners van Nederland effecten van topsportbeleid?
In dit onderzoek voerden we een Discrete Keuze Experiment (DKE) uit waarmee we vaststellen hoeveel waarde inwoners ontlenen aan de effecten van topsportbeleid. - Hoe waarderen inwoners van Nederland beleidsopties om deze effecten van topsportbeleid te realiseren?
Met een Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) onderzoeken we hoe Nederlanders aankijken tegen de inzet van vijftien verschillende beleidsopties rond topsportbeleid.
2.853 inwoners van Nederland hebben meegedaan aan het onderzoek:
- Gesloten onderzoek: 476 inwoners van Nederland deden mee via een panelbureau aan de gesloten versie van het onderzoek. Deelnemers aan deze versie hebben zowel aan de DKE als de PWE deelgenomen.
- Open onderzoek: 274 inwoners van Nederland deden mee aan de open versie van het onderzoek waar alle inwoners van 16 jaar of ouder aan mee konden doen. Via de open versie deden de respondenten mee aan de PWE. Deze deelnemers deden niet mee aan de DKE.
- Professionals onderzoek: 103 professionals die werkzaam zijn in de Nederlandse topsport zijn via het consortium bevraagd om deel te nemen aan de DKE.
Resultaten
Belangrijkste resultaten deelvraag 1: Hoe waarderen inwoners van Nederland effecten van topsportbeleid?
We vroegen deelnemers verschillende keren te kiezen tussen twee beleidsopties. Daarbij varieerden de jaarlijkse belastingbijdrage en zes effecten van het topsportbeleid. De hoogste geschatte betalingsbereidheid werd gevonden voor 25 extra topsporters en talenten die zich veilig voelen in hun sport en voor 500 extra talenten in een opleidingsprogramma. Voor beide veranderingen bedraagt de gemiddelde betalingsbereidheid €0,73 per huishouden per jaar.
Voor 5 procent minder CO₂-uitstoot bedraagt de betalingsbereidheid €0,28 per huishouden per jaar en voor 100 extra bezoeken van topsporters en talenten aan scholen €0,26. Voor één extra Olympische medaille bedraagt de geschatte betalingsbereidheid €0,11. Eén medaille minder wordt gewaardeerd als een verlies van €0,30 per huishouden per jaar. Het voorkomen van medailleverlies weegt daarmee zwaarder dan de waarde die aan één extra medaille wordt toegekend. Dit wijst erop dat Nederlanders vooral waarde hechten aan het behouden van het huidige prestatieniveau.
Belangrijkste resultaten deelvraag 2: Hoe waarderen inwoners van Nederland beleidsopties om deze effecten van topsportbeleid te realiseren?
We vroegen deelnemers advies te geven over hoe de overheid geld moet verdelen over vijftien beleidsopties afgeleid van het Strategisch kader topsport 2032. Hoewel het soms om grote bedragen gaat, adviseert de gemiddelde Nederlander geen grote verschuivingen in de verdeling van het budget voor topsport. De grootste stijging betreft 14% extra budget en de grootste daling betreft 9% van het budget in het gesloten onderzoek.
Nederlanders willen dat de overheid meer geld gaat uitgeven aan een veilige sportomgeving, topsport combineren met school/opleiding en het voorkomen van sportfraude zoals matchfixing. In absolute bedragen willen Nederlanders dat er vooral bespaard wordt op de inkomenszekerheid van topsporters en de ondersteuning van sporten met een hoge Olympische medaillekans. Dit zijn ook de twee maatregelen waar nu het meeste geld naartoe gaat waardoor het logisch is dat hier kleine verschuivingen leiden tot grote verschillen.
Overeenkomsten in resultaten van beide deelvragen
De combinatie van de DKE en PWE wijst op voorwaardelijke steun voor het topsportbeleid. De PWE laat zien dat Nederlanders de huidige verdeling van het topsportbudget niet fundamenteel willen omgooien.
Binnen deze relatief stabiele begroting is wel een duidelijke verschuiving in prioriteiten zichtbaar in zowel de PWE als de DKE. Nederlanders willen minder nadruk leggen op het financieren van sporten met een hoge Olympische medaillekans en meer op een veilige sportomgeving. In iets mindere mate willen zij extra investeren in het combineren van topsport met school en opleiding. Dit patroon sluit aan bij een bredere internationale beleidsrichting die vaak wordt samengevat als win well: sportieve prestaties blijven belangrijk, maar de manier waarop die prestaties tot stand komen – veilig, integer en met aandacht voor het welzijn en de ontwikkeling van sporters – weegt eveneens zwaar.
Meer weten?
Lees hier het rapport met de resultaten van de PWE. Of neem contact op met één van de onderzoekers.
🔗 Lees hier het rapport met de resultaten van het inwonersonderzoek naar keuzes rondom topsport.
Case
Nieuwe kengetallen voor 15 brede welvaartseffecten
Nieuwe kengetallen voor 15 brede welvaartseffecten
De laatste jaren wordt er gepleit overheidsbeleid te maken vanuit een ‘brede welvaartsperspectief’. Alleen ontbreken kengetallen om brede welvaartseffecten goed te waarderen. Deze studie genereert kengetallen voor 15 verschillende brede welvaartseffecten.
Aanleiding
De laatste jaren wordt er gepleit om breder te kijken naar welvaartseffecten van mobiliteitsbeleid. Om als overheid te kunnen sturen op brede welvaart is het belangrijk om vast te kunnen stellen of een concrete beleidsoptie brede welvaart wel of niet bevordert. In Nederland wordt vaak gebruik gemaakt van de Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse (MKBA) om het welvaartseffect van beleidsopties in beeld te brengen. Hoewel de MKBA een goed raamwerk biedt, is er ook kritiek. Bepaalde effecten kunnen moeilijk in geld worden uitgedrukt en komen dan in een MKBA terug als een pro-memoriepost (PM-post). Deze PM posten komen niet terug in het MKBA-saldo. Dit zorgt ervoor dat ze naar de achtergrond verdwijnen in de ambtelijke voorbereiding en de politieke besluitvorming. Eén van de mogelijke oorzaken van dit probleem is dat de MKBA de maatschappelijke waarde van effecten van overheidsbeleid vaststelt op basis van hoeveel euro’s individuen uit hun privé-inkomen bereid zijn te betalen (‘private-betalingsbereidheidsbenadering’). Het is moeilijk om via deze benadering publieke waarden te waarderen zoals sociale inclusie, biodiversiteit en minimale bereikbaarheid. Een mogelijke oplossing is om effecten te waarderen vanuit een ‘collectief betalingsbereidheidsperspectief’ waarin inwoners effecten van overheidsbeleid afruilen tegen een belastingverhoging.
In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft Populytics voor 15 verschillende effecten van mobiliteitsbeleid onderzocht in welke mate deze kunnen worden gewaardeerd via collectieve betalingsbereidheid.
Opzet van de raadpleging
In dit onderzoek pasten we een discrete keuze-experiment (DCE) toe om de collectieve betalingsbereidheid van brede welvaartseffecten van infrastructuurbeleid te achterhalen. De kerngedachte achter de DCE is dat voorkeuren van individuen over een overheidsproject worden bepaald door voorkeuren voor de kenmerken van een project. Het relatieve belang van kenmerken kan worden vastgesteld door individuen keuzetaken voor te leggen waarin ze worden gevraagd om te kiezen tussen twee alternatieven die verschillen wat betreft de niveaus van de kenmerken. De methode werkt als volgt: 1) deelnemers maken een paar keer een keuze tussen twee aanpakken; 2) De effecten van de aanpakken variëren tussen de keuzesituaties; 3) Door mensen meerdere keuzes te laten maken, kan je vaststellen hoe zij de effecten afruilen; 4) Met econometrische modellen worden de keuzes van een groot aantal deelnemers geanalyseerd om vast te stellen hoe de gemiddelde deelnemer de effecten afruilt.
Resultaten van het onderzoek
Het doel van dit onderzoek is om te verkennen in welke mate 15 verschillende effecten van mobiliteitsbeleid kunnen worden gewaardeerd via collectieve betalingsbereidheid. De hoofdconclusie van het onderzoek is dat dit mogelijk is. Voor alle 15 effecten is een significante collectieve betalingsbereidheid vastgesteld. Voor alle effecten geldt dat een verbetering maatschappelijke meerwaarde oplevert. Want de gemiddelde Nederlander vindt het acceptabel dat de belasting omhooggaat als deze effecten gerealiseerd kunnen worden.
Deze studie zorgt ervoor dat we meer informatie hebben over de waardering van effecten waar nu nog geen kengetal voor is in MKBAs zoals sociale veiligheid en het realiseren van een minimale bereikbaarheid voor belangrijke voorzieningen. De waarderingskengetallen zorgen ervoor dat effecten die nu nog als ‘PM’ worden meegenomen in de MKBA een gelijkwaardige plek kunnen krijgen in de beoordeling van transportprojecten. Hoe minder PM-posten er in MKBA’s terugkomen, hoe beter het lukt om verschillende ‘brede welvaartseffecten’ volwaardig mee te wegen in de analyse.
De maatschappelijke waarde die mensen toekennen aan verschillende effecten verschilt wel per effect. De totale collectieve betalingsbereidheid voor het voorkomen van één zwaargewonde in het verkeer is €304.000. Voor het zorgen dat één extra rit wordt gemaakt met de elektrische auto in plaats van met de diesel- of de benzineauto is de collectieve betalingsbereidheid €1,25. Een opvallend resultaat van deze studie is dat het voorkomen van vertraging buiten de Randstad in allebei de onderzoeken zwaarder wordt gewaardeerd dan het voorkomen van vertraging binnen de Randstad. De collectieve betalingsbereidheid voor het realiseren van 1 extra levensjaar in goede gezondheid komt sterk overeen met de kengetallen die nu worden gebruikt in MKBA’s. De collectieve betalingsbereidheid die wij vaststellen in onze studie is €55.200 voor één extra persoon die een jaar langer leeft in goede gezondheid. In MKBA’s wordt vaak gebruik gemaakt van een range van €50.000 – €100.000 voor de waardering van dit effect.
De waardering voor één extra persoon die gaat werken, doordat ze geen beperkingen meer ervaren bij het reizen is hoog: €126.000. Het is voor dit soort effecten interessant om te onderzoeken hoe ze zich verhouden tot de (maatschappelijke) kosten die momenteel worden gemaakt om dit effect te realiseren.
Het is opvallend dat deelnemers de afname van het aantal dieren en planten veel sterker waarderen dan de ruimtelijke en visuele effecten van het uitbreiden of aanleggen van een autoweg of een spoorweg. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kwaliteitsverandering van natuur en biodiversiteit veel sterker wordt gewaardeerd dan het visuele effect.
Meer weten?
Lees het uitgebreide rapport hier. Of neem contact op met één van de onderzoekers: Niek Mouter of Martijn de Vries.
Case
Inwoners BUCH-gemeenten denken mee over warmtetransitie
Inwoners BUCH-gemeenten denken mee over warmtetransitie
1.098 inwoners uit de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo dachten via een online onderzoek mee over de warmtetransitie. Deelnemers zien het betrekken van woningeigenaren bij wijkplannen vaak als de belangrijkste maatregel. Ook is er brede steun voor financiële hulp en gratis energiescans.
Aanleiding
De gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo (de BUCH-gemeenten) werken ieder aan een eigen warmteprogramma. Hierin beschrijven zij hoe zij de overstap van aardgas naar duurzame warmte willen aanpakken. Om inzicht te krijgen in wat inwoners belangrijk vinden, organiseerden de gemeenten een gezamenlijke Participatieve Waarde Evaluatie (PWE). Inwoners konden hun mening geven over belangrijke keuzes, zoals hoe de gemeente tijd en geld het best kan inzetten om woningeigenaren te ondersteunen bij verduurzaming.
Opzet van de raadpleging
Aan de raadpleging deden in totaal 1.098 inwoners mee, verdeeld over de vier gemeenten. Deelnemers beantwoordden vragen over hun woning en verduurzaming en maakten vervolgens een keuze uit verschillende gemeentelijke maatregelen.
In de keuzetaak moesten deelnemers een beperkt gemeentelijk budget verdelen over acht mogelijke maatregelen. De resultaten geven een representatief beeld van de bevolking op de kenmerken leeftijd, opleiding, gender en klimaatzorgen.
Voor iedere gemeente is een apart rapport gemaakt. Daarnaast zijn de resultaten samengevoegd om te kijken welke voorkeuren inwoners in de hele BUCH-regio delen.
Resultaten
Inwoners hebben al veel verduurzaamd.
Veel deelnemers hebben de afgelopen jaren al maatregelen genomen. Een grote meerderheid in elke gemeente geeft aan al zonnepanelen en extra dakisolatie te hebben. En ook kookt een meerderheid elektrisch. Tegelijkertijd geeft rond de 35% van de deelnemers aan voorlopig geen verdere maatregelen te overwegen. Vooral de kosten en technische mogelijkheden van de woning spelen daarbij een rol.
De energierekening is de belangrijkste motivatie.
Inwoners noemen het verlagen van de energierekening als belangrijkste reden om te verduurzamen. Ook het verminderen van CO₂-uitstoot en het verbeteren van het wooncomfort spelen een belangrijke rol.
Dezelfde drie maatregelen krijgen in alle gemeenten de meeste prioriteit.
In de keuzetaak kiezen inwoners vooral voor:
- Woningeigenaren betrekken bij plannen voor hun wijk
- Gratis energiescans en verduurzamingsadvies
- Financiële ondersteuning voor mensen die verduurzaming niet kunnen betalen
Maatregelen zoals algemeen advies of hulp bij het vergelijken van offertes krijgen minder prioriteit.
De voorkeuren zijn breed gedeeld.
Dezelfde prioriteiten komen terug in de vier gemeenten, verschillende buurten en onder verschillende inkomens- en leeftijdsgroepen. Ook inwoners die zich minder zorgen maken over klimaatverandering maken grotendeels dezelfde keuzes. Dit wijst op een brede basis voor een gezamenlijke aanpak.
Ervaringen met de raadpleging
Deelnemers zijn overwegend positief over de PWE. Zij geven de raadpleging gemiddeld een 7,0. 91% geeft een voldoende. Daarnaast geeft 62% aan zich gehoord te voelen en heeft 77% vertrouwen in een eerlijke uitkomst. 80% vindt het belangrijk om over dit onderwerp mee te denken.
Meer weten?
Lees het rapport voor gemeente Bergen hier.
🔗Lees hier het rapport voor de gemeente Bergen.
