Case

Inwoners denken mee over keuzes rondom topsport

Inwoners denken mee over keuzes rondom topsport

Via een burgerraadpleging is onderzocht hoe Nederlanders aankijken tegen de besteding van overheidsgeld aan topsport. Ruim 2.800 inwoners en professionals beoordeelden de effecten van topsportbeleid en gaven advies over de verdeling van het budget over vijftien beleidsopties.

Aanleiding

Veel Nederlandse topsporters doen het heel goed in de sport. Maar sporten op hoog niveau kost geld. Bijvoorbeeld voor topcoaches en voor goede sportlocaties. De overheid betaalt hieraan mee, van het belastinggeld dat we als samenleving betalen. De overheid moet samen met de sport kiezen waar het geld voor topsport precies naartoe moet.

Opzet van de raadpleging

Via een burgerraadpleging onderzoeken we in dit onderzoek twee vragen:

  1. Hoe waarderen inwoners van Nederland effecten van topsportbeleid?
    In dit onderzoek voerden we een Discrete Keuze Experiment (DKE) uit waarmee we vaststellen hoeveel waarde inwoners ontlenen aan de effecten van topsportbeleid.
  2. Hoe waarderen inwoners van Nederland beleidsopties om deze effecten van topsportbeleid te realiseren?
    Met een Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) onderzoeken we hoe Nederlanders aankijken tegen de inzet van vijftien verschillende beleidsopties rond topsportbeleid.

2.853 inwoners van Nederland hebben meegedaan aan het onderzoek:

  • Gesloten onderzoek: 476 inwoners van Nederland deden mee via een panelbureau aan de gesloten versie van het onderzoek. Deelnemers aan deze versie hebben zowel aan de DKE als de PWE deelgenomen.
  • Open onderzoek: 274 inwoners van Nederland deden mee aan de open versie van het onderzoek waar alle inwoners van 16 jaar of ouder aan mee konden doen. Via de open versie deden de respondenten mee aan de PWE. Deze deelnemers deden niet mee aan de DKE.
  • Professionals onderzoek: 103 professionals die werkzaam zijn in de Nederlandse topsport zijn via het consortium bevraagd om deel te nemen aan de DKE.

Resultaten

Belangrijkste resultaten deelvraag 1: Hoe waarderen inwoners van Nederland effecten van topsportbeleid?

We vroegen deelnemers verschillende keren te kiezen tussen twee beleidsopties. Daarbij varieerden de jaarlijkse belastingbijdrage en zes effecten van het topsportbeleid. De hoogste geschatte betalingsbereidheid werd gevonden voor 25 extra topsporters en talenten die zich veilig voelen in hun sport en voor 500 extra talenten in een opleidingsprogramma. Voor beide veranderingen bedraagt de gemiddelde betalingsbereidheid €0,73 per huishouden per jaar.

Voor 5 procent minder CO₂-uitstoot bedraagt de betalingsbereidheid €0,28 per huishouden per jaar en voor 100 extra bezoeken van topsporters en talenten aan scholen €0,26. Voor één extra Olympische medaille bedraagt de geschatte betalingsbereidheid €0,11. Eén medaille minder wordt gewaardeerd als een verlies van €0,30 per huishouden per jaar. Het voorkomen van medailleverlies weegt daarmee zwaarder dan de waarde die aan één extra medaille wordt toegekend. Dit wijst erop dat Nederlanders vooral waarde hechten aan het behouden van het huidige prestatieniveau.

Belangrijkste resultaten deelvraag 2: Hoe waarderen inwoners van Nederland beleidsopties om deze effecten van topsportbeleid te realiseren?

We vroegen deelnemers advies te geven over hoe de overheid geld moet verdelen over vijftien beleidsopties afgeleid van het Strategisch kader topsport 2032. Hoewel het soms om grote bedragen gaat, adviseert de gemiddelde Nederlander geen grote verschuivingen in de verdeling van het budget voor topsport. De grootste stijging betreft 14% extra budget en de grootste daling betreft 9% van het budget in het gesloten onderzoek.

Nederlanders willen dat de overheid meer geld gaat uitgeven aan een veilige sportomgeving, topsport combineren met school/opleiding en het voorkomen van sportfraude zoals matchfixing.  In absolute bedragen willen Nederlanders dat er vooral bespaard wordt op de inkomenszekerheid van topsporters en de ondersteuning van sporten met een hoge Olympische medaillekans. Dit zijn ook de twee maatregelen waar nu het meeste geld naartoe gaat waardoor het logisch is dat hier kleine verschuivingen leiden tot grote verschillen.

Overeenkomsten in resultaten van beide deelvragen

De combinatie van de DKE en PWE wijst op voorwaardelijke steun voor het topsportbeleid. De PWE laat zien dat Nederlanders de huidige verdeling van het topsportbudget niet fundamenteel willen omgooien.

Binnen deze relatief stabiele begroting is wel een duidelijke verschuiving in prioriteiten zichtbaar in zowel de PWE als de DKE. Nederlanders willen minder nadruk leggen op het financieren van sporten met een hoge Olympische medaillekans en meer op een veilige sportomgeving. In iets mindere mate willen zij extra investeren in het combineren van topsport met school en opleiding. Dit patroon sluit aan bij een bredere internationale beleidsrichting die vaak wordt samengevat als win well: sportieve prestaties blijven belangrijk, maar de manier waarop die prestaties tot stand komen – veilig, integer en met aandacht voor het welzijn en de ontwikkeling van sporters – weegt eveneens zwaar.

Meer weten?

Lees hier het rapport met de resultaten van de PWE. Of neem contact op met één van de onderzoekers.

Deel dit artikel

🔗 Lees hier het rapport met de resultaten van het inwonersonderzoek naar keuzes rondom topsport.

Case

Nieuwe kengetallen voor 15 brede welvaartseffecten

Nieuwe kengetallen voor 15 brede welvaartseffecten

De laatste jaren wordt er gepleit overheidsbeleid te maken vanuit een ‘brede welvaartsperspectief’. Alleen ontbreken kengetallen om brede welvaartseffecten goed te waarderen. Deze studie genereert kengetallen voor 15 verschillende brede welvaartseffecten.

Aanleiding

De laatste jaren wordt er gepleit om breder te kijken naar welvaartseffecten van mobiliteitsbeleid. Om als overheid te kunnen sturen op brede welvaart is het belangrijk om vast te kunnen stellen of een concrete beleidsoptie brede welvaart wel of niet bevordert. In Nederland wordt vaak gebruik gemaakt van de Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse (MKBA) om het welvaartseffect van beleidsopties in beeld te brengen. Hoewel de MKBA een goed raamwerk biedt, is er ook kritiek. Bepaalde effecten kunnen moeilijk in geld worden uitgedrukt en komen dan in een MKBA terug als een pro-memoriepost (PM-post). Deze PM posten komen niet terug in het MKBA-saldo. Dit zorgt ervoor dat ze naar de achtergrond verdwijnen in de ambtelijke voorbereiding en de politieke besluitvorming. Eén van de mogelijke oorzaken van dit probleem is dat de MKBA de maatschappelijke waarde van effecten van overheidsbeleid vaststelt op basis van hoeveel euro’s individuen uit hun privé-inkomen bereid zijn te betalen (‘private-betalingsbereidheidsbenadering’). Het is moeilijk om via deze benadering publieke waarden te waarderen zoals sociale inclusie, biodiversiteit en minimale bereikbaarheid. Een mogelijke oplossing is om effecten te waarderen vanuit een ‘collectief betalingsbereidheidsperspectief’ waarin inwoners effecten van overheidsbeleid afruilen tegen een belastingverhoging.

In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft Populytics voor 15 verschillende effecten van mobiliteitsbeleid onderzocht in welke mate deze kunnen worden gewaardeerd via collectieve betalingsbereidheid.

Opzet van de raadpleging

In dit onderzoek pasten we een discrete keuze-experiment (DCE) toe om de collectieve betalingsbereidheid van brede welvaartseffecten van infrastructuurbeleid te achterhalen. De kerngedachte achter de DCE is dat voorkeuren van individuen over een overheidsproject worden bepaald door voorkeuren voor de kenmerken van een project. Het relatieve belang van kenmerken kan worden vastgesteld door individuen keuzetaken voor te leggen waarin ze worden gevraagd om te kiezen tussen twee alternatieven die verschillen wat betreft de niveaus van de kenmerken. De methode werkt als volgt: 1) deelnemers maken een paar keer een keuze tussen twee aanpakken; 2) De effecten van de aanpakken variëren tussen de keuzesituaties; 3) Door mensen meerdere keuzes te laten maken, kan je vaststellen hoe zij de effecten afruilen; 4) Met econometrische modellen worden de keuzes van een groot aantal deelnemers geanalyseerd om vast te stellen hoe de gemiddelde deelnemer de effecten afruilt.

Resultaten van het onderzoek

Het doel van dit onderzoek is om te verkennen in welke mate 15 verschillende effecten van mobiliteitsbeleid kunnen worden gewaardeerd via collectieve betalingsbereidheid. De hoofdconclusie van het onderzoek is dat dit mogelijk is. Voor alle 15 effecten is een significante collectieve betalingsbereidheid vastgesteld. Voor alle effecten geldt dat een verbetering maatschappelijke meerwaarde oplevert. Want de gemiddelde Nederlander vindt het acceptabel dat de belasting omhooggaat als deze effecten gerealiseerd kunnen worden.

Deze studie zorgt ervoor dat we meer informatie hebben over de waardering van effecten waar nu nog geen kengetal voor is in MKBAs zoals sociale veiligheid en het realiseren van een minimale bereikbaarheid voor belangrijke voorzieningen. De waarderingskengetallen zorgen ervoor dat effecten die nu nog als ‘PM’ worden meegenomen in de MKBA een gelijkwaardige plek kunnen krijgen in de beoordeling van transportprojecten. Hoe minder PM-posten er in MKBA’s terugkomen, hoe beter het lukt om verschillende ‘brede welvaartseffecten’ volwaardig mee te wegen in de analyse.

De maatschappelijke waarde die mensen toekennen aan verschillende effecten verschilt wel per effect. De totale collectieve betalingsbereidheid voor het voorkomen van één zwaargewonde in het verkeer is €304.000. Voor het zorgen dat één extra rit wordt gemaakt met de elektrische auto in plaats van met de diesel- of de benzineauto is de collectieve betalingsbereidheid €1,25. Een opvallend resultaat van deze studie is dat het voorkomen van vertraging buiten de Randstad in allebei de onderzoeken zwaarder wordt gewaardeerd dan het voorkomen van vertraging binnen de Randstad. De collectieve betalingsbereidheid voor het realiseren van 1 extra levensjaar in goede gezondheid komt sterk overeen met de kengetallen die nu worden gebruikt in MKBA’s. De collectieve betalingsbereidheid die wij vaststellen in onze studie is €55.200 voor één extra persoon die een jaar langer leeft in goede gezondheid. In MKBA’s wordt vaak gebruik gemaakt van een range van €50.000 – €100.000 voor de waardering van dit effect.

De waardering voor één extra persoon die gaat werken, doordat ze geen beperkingen meer ervaren bij het reizen is hoog: €126.000. Het is voor dit soort effecten interessant om te onderzoeken hoe ze zich verhouden tot de (maatschappelijke) kosten die momenteel worden gemaakt om dit effect te realiseren.

Het is opvallend dat deelnemers de afname van het aantal dieren en planten veel sterker waarderen dan de ruimtelijke en visuele effecten van het uitbreiden of aanleggen van een autoweg of een spoorweg. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kwaliteitsverandering van natuur en biodiversiteit veel sterker wordt gewaardeerd dan het visuele effect.

Meer weten?

Lees het uitgebreide rapport hier. Of neem contact op met één van de onderzoekers: Niek Mouter of Martijn de Vries.

Case

Inwoners stellen doelen voor het Regionaal Mobiliteitsprogramma van Overijssel

Inwoners stellen doelen voor het Regionaal Mobiliteitsprogramma van Overijssel

De provincie Overijssel publiceert in 2026 een nieuw Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP). Via een PWE-raadpleging is aan inwoners gevraagd om tien doelen uit dit programma te prioriteren. Inwoners blijken prioriteit te geven aan bereikbaarheid van voorzieningen, sociale veiligheid en bereikbaarheid van bestemmingen voor mensen met een beperking.

Aanleiding

De provincie Overijssel publiceert in 2026 een nieuw Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP). De keuzes die in het RMP worden gemaakt kunnen grote gevolgen hebben voor inwoners. Daarom heeft de provincie inwoners betrokken via een raadpleging op basis van de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) methode.

Opzet van de raadpleging

De centrale vraag is de PWE was: welke doelen vinden inwoners het belangrijkst voor het regionale mobiliteitsbeleid? Deelnemers werd gevraagd om 50 punten te verdelen over 10 doelen die zijn ontleend aan de omgevingsvisie en het concept RMP. Als ze een doel belangrijk vonden, gaven ze veel punten. Vervolgens gaven deelnemers antwoord op vervolgvragen en stellingen, onder andere over snelheid versus nabijheid en over welke bestemmingen en modaliteiten prioriteit moeten krijgen van de overheid.

Aan het onderzoek deden ruim 2.700 inwoners uit Overijssel en omliggende provincies mee. Dit geeft een representatief beeld van wat er leeft onder inwoners.

Resultaten van het onderzoek

Enkele belangrijke uitkomsten op een rij:

  • Voor inwoners van Overijssel is de bereikbaarheid van voorzieningen het belangrijkste doel. Daarna geven zij prioriteit aan doelen die gaan over mobiliteit voor mensen met een beperking en sociale veiligheid.
  • De doelen die het minst prioriteit krijgen zijn: ‘zorgen dat er minder vervuiling is door reizen’, ‘zorgen dat het verkeer minder overlast geeft’ en ‘zorgen dat mensen meer bewegen als ze reizen’. De eerste twee doelen zien inwoners op dit moment niet echt als een probleem. Het derde doel vindt men meer een eigen verantwoordelijkheid.
  • Uit het onderzoek blijkt dat prioriteiten verschillen tussen groepen inwoners. Jongeren tot 35 jaar vinden sociale veiligheid het belangrijkst. Terwijl 65-plussers juist meer nadruk leggen op de bereikbaarheid van voorzieningen en de mogelijkheid voor mensen met een beperking om plekken te kunnen bereiken.
  • Ook tussen stad en platteland zijn er verschillen. In dorpen en het buitengebied staan bereikbaarheid en inclusiviteit voorop. In steden en grotere kernen worden sociale veiligheid en verkeersveiligheid relatief belangrijker gevonden.
  • Inwoners vinden het vooral belangrijk dat voorzieningen dichtbij zijn, zoals zorg, onderwijs, winkels en haltes voor bus en trein. Zij vinden dit belangrijker dan snel kunnen reizen. Ook betrouwbaarheid van de reistijd weegt zwaarder dan snelheid.
  • Meer dan de helft van de inwoners is bereid vaker te lopen, fietsen of met het openbaar vervoer te reizen, mits de omstandigheden verbeteren. Bij het lopen gaat het vooral om veiligheid en comfort. Voor fietsen zijn veilige fietspaden, goede doorstroming en voldoende stallingen belangrijk. Voor het openbaar vervoer geldt dat het aantrekkelijker moet worden, bijvoorbeeld door verbeteringen in snelheid en kwaliteit.

Meer weten?

Lees het uitgebreide rapport hier. Of neem contact op met één van de onderzoekers: Niek Mouter of Tom Geijsen.

Deel dit artikel

🔗 Lees hier het rapport.

Case

Inwoners betrekken bij keuzes over waterveiligheid rond Den Bosch

Inwoners betrekken bij keuzes over waterveiligheid rond Den Bosch

De waterschappen Aa en Maas en De Dommel willen het gebied Brabant-Oost beschermen tegen overstromingen. Er moeten keuzes gemaakt worden over welke oplossingen uitgevoerd gaan worden. Inwoners konden in een PWE hun advies hierover geven. Inwoners prioriteren waterveiligheid duidelijk boven waarden als kosten, landbouw en recreatie.

Aanleiding

De waterschappen Aa en Maas en De Dommel willen samen met gemeenten en de provincie Noord-Brabant het gebied Brabant-Oost beschermen tegen overstromingen. Hiervoor werken zij samen aan de Hoogwater Aanpak Brabant-Oost (HoWaBO). Er moeten keuzes gemaakt worden over welke oplossingen uitgevoerd gaan worden en hoe deze oplossingen eruitzien. Om het perspectief van inwoners te betrekken bij het vormgeven van dit beleid, heeft Populytics een raadpleging uitgevoerd. In de raadpleging konden inwoners aangeven waar de overheid meer of minder rekening mee moet houden bij oplossingen voor waterveiligheid.

Opzet van de raadpleging

In de PWE-raadpleging konden deelnemers met een schuifje voor zes opties aangeven of ze vonden dat de overheid er meer of minder rekening mee moet houden als zij aan de slag gaat met oplossingen voor waterveiligheid. Bij ieder schuifje werd in beeld gebracht wat het effect is van de keuze op de kosten en de waterveiligheid nu en in de toekomst. Als de keuze leidde tot te hoge kosten voor de overheid of te weinig ruimte voor waterveiligheid, kon de deelnemer niet door naar het volgende scherm. Dan moest eerst het advies worden aangepast.

2.182 inwoners van de provincie Noord-Brabant deden mee aan de raadpleging, zowel vanuit gebieden met hogere kans op hoogwater als uit gebieden waar die kans lager is. Het grootste deel van de deelnemers heeft nooit te maken gehad met problemen door water en maakt zich niet veel zorgen over de waterveiligheid. Na het invullen van de raadpleging gaven de meeste deelnemers aan positief te zijn over de raadpleging: gemiddeld geven ze een rapportcijfer van 7,4.

Resultaten van het onderzoek

Enkele belangrijke uitkomsten op een rij:

  • Er is een sterke voorkeur om gebieden zo snel mogelijk beter te beschermen, ook als dat hogere kosten betekent.
  • Inwoners van Noord-Brabant geven prioriteit aan het beter beschermen van ‘s-Hertogenbosch en omgeving tegen hoogwater. Ze vinden het belangrijk dat iedere gemeente (boven- en benedenstrooms) bijdraagt aan oplossingen voor waterveiligheid. Het veiliger maken van het gebied gebeurt volgens deelnemers het liefst zo snel mogelijk.
  • Ondanks dat ook uit het onderzoek blijkt dat de meeste inwoners zich weinig tot geen zorgen maken over waterveiligheid, vinden ze dit gemiddeld toch belangrijker dan rekening houden met andere ruimtelijke opgaven zoals woningbouw, recreatie en landbouw
  • De opties over zo veel mogelijk rekening houden met ‘recreatie en landschap’ en met ‘landbouw’, krijgen gemiddeld gezien de laagste prioriteit. Deelnemers vinden veelal waterveiligheid belangrijker dan recreatie en landschap. Volgens deze groep zijn er andere mogelijkheden voor recreëren. Deelnemers geven aan dat landbouw onderdeel kan zijn van de oplossing (zoals land dat onderwater gezet kan worden en machines om hulp te kunnen bieden in geval van overstromingen). Deelnemers die weinig rekening willen houden met landbouw, menen daarbij dat Nederland prima met minder landbouw toe kan.
  • Verschillen in voorkeuren tussen groepen inwoners waren klein. Gender, opleidingsniveau, leeftijd en of men in een landelijke of stedelijke omgeving woont is niet van groot belang bij de voorkeuren. Er is een breed gedeeld beeld.
  • Inwoners willen graag meedenken over dit vraagstuk.

Meer weten?

Lees het uitgebreide rapport hier. Of neem contact op met één van de onderzoekers: Toke van Telgen, Charlotte Spit of Niek Mouter.

Case

Inwoners BUCH-gemeenten denken mee over warmtetransitie

Inwoners BUCH-gemeenten denken mee over warmtetransitie

1.098 inwoners uit de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo dachten via een online onderzoek mee over de warmtetransitie. Deelnemers zien het betrekken van woningeigenaren bij wijkplannen vaak als de belangrijkste maatregel. Ook is er brede steun voor financiële hulp en gratis energiescans.

Aanleiding

De gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo (de BUCH-gemeenten) werken ieder aan een eigen warmteprogramma. Hierin beschrijven zij hoe zij de overstap van aardgas naar duurzame warmte willen aanpakken. Om inzicht te krijgen in wat inwoners belangrijk vinden, organiseerden de gemeenten een gezamenlijke Participatieve Waarde Evaluatie (PWE). Inwoners konden hun mening geven over belangrijke keuzes, zoals hoe de gemeente tijd en geld het best kan inzetten om woningeigenaren te ondersteunen bij verduurzaming.

Opzet van de raadpleging

Aan de raadpleging deden in totaal 1.098 inwoners mee, verdeeld over de vier gemeenten. Deelnemers beantwoordden vragen over hun woning en verduurzaming en maakten vervolgens een keuze uit verschillende gemeentelijke maatregelen.

In de keuzetaak moesten deelnemers een beperkt gemeentelijk budget verdelen over acht mogelijke maatregelen. De resultaten geven een representatief beeld van de bevolking op de kenmerken leeftijd, opleiding, gender en klimaatzorgen.

Voor iedere gemeente is een apart rapport gemaakt. Daarnaast zijn de resultaten samengevoegd om te kijken welke voorkeuren inwoners in de hele BUCH-regio delen.

Resultaten

Inwoners hebben al veel verduurzaamd.
Veel deelnemers hebben de afgelopen jaren al maatregelen genomen. Een grote meerderheid in elke gemeente geeft aan al zonnepanelen en extra dakisolatie te hebben. En ook kookt een meerderheid elektrisch. Tegelijkertijd geeft rond de 35% van de deelnemers aan voorlopig geen verdere maatregelen te overwegen. Vooral de kosten en technische mogelijkheden van de woning spelen daarbij een rol.

De energierekening is de belangrijkste motivatie.
Inwoners noemen het verlagen van de energierekening als belangrijkste reden om te verduurzamen. Ook het verminderen van CO₂-uitstoot en het verbeteren van het wooncomfort spelen een belangrijke rol.

Dezelfde drie maatregelen krijgen in alle gemeenten de meeste prioriteit.
In de keuzetaak kiezen inwoners vooral voor:

  • Woningeigenaren betrekken bij plannen voor hun wijk
  • Gratis energiescans en verduurzamingsadvies
  • Financiële ondersteuning voor mensen die verduurzaming niet kunnen betalen

Maatregelen zoals algemeen advies of hulp bij het vergelijken van offertes krijgen minder prioriteit.

De voorkeuren zijn breed gedeeld.
Dezelfde prioriteiten komen terug in de vier gemeenten, verschillende buurten en onder verschillende inkomens- en leeftijdsgroepen. Ook inwoners die zich minder zorgen maken over klimaatverandering maken grotendeels dezelfde keuzes. Dit wijst op een brede basis voor een gezamenlijke aanpak.

Ervaringen met de raadpleging

Deelnemers zijn overwegend positief over de PWE. Zij geven de raadpleging gemiddeld een 7,0. 91% geeft een voldoende. Daarnaast geeft 62% aan zich gehoord te voelen en heeft 77% vertrouwen in een eerlijke uitkomst. 80% vindt het belangrijk om over dit onderwerp mee te denken.

Meer weten?

Lees het rapport voor gemeente Bergen hier.

Deel dit artikel

🔗Lees hier het rapport voor de gemeente Bergen.

Blijf up-to-date